Het ontstaan van het Frietbakkersgilde

door | jun 1, 2017 | Geen categorie

Meesters van de Friet, de initiatiefnemers van het Frietbakkersgilde, ontmoetten in het werkveld van de horeca veel ondernemers met dezelfde vragen. We willen allemaal onderscheidend zijn, allemaal zichtbaar zijn en we hebben allemaal passie voor ambachtelijke verse friet. Dat bracht ons bij het eeuwenoude, beproefde succes van een Gilde. Waarom alleen het wiel uitvinden als we met elkaar zoveel kennis en vaardigheden in huis hebben? Zo is het Frietbakkersgilde ontstaan, ook op verzoek van horeca-ondernemers. 

Oorsprong van gildes

Een gilde was vroeger een belangenorganisatie van personen met hetzelfde beroep. In sommige delen van de Nederlanden sprak men van ambachten. Gilden en ambachten bestaan vanaf de middeleeuwen.

In een gilde wordt kennis en ervaring uitgewisseld. Nieuwe gildeleden werden opgeleid in het vak. Na een gedegen opleiding kon men erkend worden als vakman met uiteindelijk de titel “meester”. Het gilde behartigde de belangen van de gildeleden, en beschermde hen. Vaak had een gilde het alleenrecht op het uitoefenen van het vak, wat leidde tot de zekerheid van kwaliteit van het werk, soms zelfs tot een monopolie.

De Romeinen kenden al een soort gilden, de zogenaamde collegia. Deze kunnen gezien worden als voorlopers van de gilden en waren bonden voor een bepaalde beroepsgroep waarbij men zich vrijwillig kon aansluiten wanneer men dat beroep deed.

Organisatie van de gilden in de middeleeuwen
Om de ambachtsgilden hun doelen te doen bereiken was een strakke organisatie nodig. Als een lid van het gilde zich niet aan de regels hield hadden alle leden hier last van. Alle gildeleden moesten meewerken om de reputatie hoog te houden. Ze konden het niet veroorloven dat bepaalde leden kwalitatief slechte producten verkochten. Om deze reden bestonden er strenge regels bij de gilden.
Om de kwaliteit van de producten hoog te houden mocht iemand niet zomaar lid worden van een gilde. Een jongen die een bepaald vak wilde uitvoeren ging op jonge leeftijd bij een gildemeester in de leer. Wanneer de meester de jongen geschikt vond werd hij na enige tijd benoemd tot gezel. De gezel werkte in loondienst voor de meester. Als de gezel goed genoeg was bevonden, kon deze na een periode, meestal tussen de vijf en negen jaar, een meesterproef afleggen. Hiermee kon de gezel bewijzen dat hij zijn vak beheerste. Pas wanneer de gezel hiervoor was geslaagd mocht hij zich meester noemen en mocht hij zijn eigen bedrijf beginnen.